Mondje dicht laat het maar zien
Mondje dicht - laat het maar zien..!
Daar,
midden in de stad,
midden onder de mensen,
daar,
daar stortte alles in,
de zekerheden van het volk,
hun wetten
waar men zich aan moest houden.
Hoor, geschreeuw!
Een razende menigte naderde Jezus.
Ze puilden door de straten.
Ze tierden en schreeuwden:
‘Onrein!
Onrein!
Onrein!’
Ja, hij was vol vieze zweren,
vol witte etter en vuile vlekken.
Hij moest, hij moest
in de eenzaamheid,
ver bij het volk vandaan.
Eén, die zo ziek was,
mocht nooit meer
onder de mensen komen
moest altijd al van verre waarschuwen
met geschreeuw: onrein!
Onrein!
Maar deze man
was naar de stad toegelopen,
had alle wetten overtreden,
was naar de poort gelopen.
Kun je nagaan!
De poortwachters waren gewaarschuwd,
want
hij was zomaar
door de poort
de stad ingelopen.
Zijn eigen dood tegemoet.
De mensen,
ze zouden hem stenigen
de puinhoop,
de etterbaal,
die stinkende melaatse.
Maar hij,
hij zocht Jezus.
Hij wist dat die hem kon genezen.
Hij had van verre de boodschap gehoord,
de opgewonden verhalen
van alles wat men beleefde.
En nu,
met de moed der wanhoop?
Nee.
In vast vertrouwen
was hij op weg gegaan
naar Jezus toe.
Hij kon hem helpen als Hij wilde.
En als de massa hem zou tegenhouden,
zou doodgooien
met stenen,
en men deed zoiets in die tijd,
de man had gezegd tegen zichzelf,
tegen God:
Kom ik om, dan kom ik om,
maar
ik ga
naar Jezus,
nu of nooit!
En zo kwam het dat hij de stad in kwam,
terwijl de massa om hem groeide,
maar
niemand durfde een steen te rapen
om te gooien,
om dit kwaad te keren,
om eigen veiligheid en gezondheid te beschermen.
De mensen, ze waren dol van drift.
Deze man trok zich nergens wat van aan.
Deze man kwam de stad in,
juist nu die vol van mensen was,
nu Jezus binnen de poorten
de pleinen om zich heen vulde
met de scharen, die van overal hierheen stroomden.
Juist nu, nu uit de omliggende dorpen
de duizenden naar hier gekomen waren.
Nu, nu men geen kant uit kon.
Nu, kwam deze melaatse
zomaar
onder de mensen.
Vol afschuw volgde men de man
naar het hart van de stad,
naar het marktplein
waar men wist
daar is Jezus.
En Jezus, Hij hoorde de schare komen.
Hij zag het stof hoog opkringelen, dat men omhoog gooide.
Hij zag de van woede gebalde vuisten.
Hij hoorde de van angst overslaande stemmen
en
heel rustig
wachtte Hij af.
Eén rustig moment met zijn Vader was genoeg
om diens wil te weten.
Daar was dan de man.
Nu was geen terug meer mogelijk.
Jezus
met de
melaatse
ingesloten door de woedende schare.
Nu zouden ze beiden
gestenigd worden,
daar.
Een andere oplossing was er niet.
En de duivel lachte in zijn vuistje
- daar gaat Hij dan, die Zoon van God -
die genezer.
Vandaag slaat zijn laatste uur,
ben ik van Hem af.
Maar Jezus, vol van begrip,
vol verwachting,
liep naar de man toe.
Nog voor Jezus iets kon zeggen
schreeuwde de man het uit:
‘Heere, als U wilt
kunt U mij rein maken,
schoon en gezond!’
wat?
Was hij waanzinnig geworden,
deze man?
Kon je van melaatsheid gereinigd worden,
Kon je zo’n vieze vent schoonmaken?
Zo’n varken?
De mensen, ze walgden van zoveel waanzin.
Melaats was je tot je dood.
Onherroepelijk.
Ongeneeslijk.
Als U wilt, kunt U mij schoonmaken.
Die man was stapelgek.
Die man behoorde niet langer te leven.
Die hield zich niet aan de afspraken,
aan de wetten,
de voorschriften,
die gesteld waren
voor hen.
Maar toen,
toen de stilte plotseling viel,
toen de gebalde vuisten zakten,
toen halzen zich rekten, om niets te missen,
toen,
toen klonk het heel eenvoudig,
maar ook
heel zeker:
‘Ik wil het:
word schoon.’
En terwijl Jezus dat sprak,
zag de schare tot hun stomme verbazing
ja, tot hun felle verbijstering,
dat Jezus op de man toeliep
en zomaar zijn hand op die vieze plekken legde.
Zomaar in de pus, in de etter.
Zomaar
zichzelf
verbond mèt de melaatse,
één werd met hem in zijn ziekte.
Dat zouden zij
nog voor geen 1000 Euro doen.
Zo je leven vergooien, voor een vieze stumper,
een onbekende verschoppeling.
Maar zie,
Jezus
Hij hief zijn hand op en toonde die
aan het volk.
Geen zweren,
geen etter,
geen stank.
En toen men van de hand van Jezus
weer keek naar de man,
Toen zag men: hij is beter.
Schoon.
Rein.
Genezen!
Uitzinnig van vreugde,
van nieuwsgierigheid
drong men op,
greep men de man aan.
Hij moest het vertellen,
hun,
wat hij had gevoeld,
wat hem had bewogen
zo te doen.
Hij zou het hun vertellen.
Hij moest het hun zeggen,
hoe alles gegaan was, in zijn hart,
zijn gedachten,
zijn lichaam.
Maar nu was Jezus de mensen een slag voor.
Hij hief zijn hand en riep:
‘Stil nu eens, mensen.’
Voor Hem lag de man
op zijn knieën,
totaal van zijn stuk door zijn diepe blijdschap
genezen te zijn.
Hoe moest dat nu verder.
Zou deze man
na zoveel jaren van gedwongen eenzaamheid,
nu… eindeloos moeten praten,
om te vertellen
hoe het geloof in zijn hart was gewekt?
Hoe de gedachten waren ontstaan,
aangevochten,
uitgegroeid tot zekerheid?
Moest hij dat nu
aan al die mensen vertellen,
dag in,
dag uit?
Daar zou hij pas goed waanzinnig van worden, knettergek.
Nee, hier had de man niet op gerekend.
Zo ver had hij niet doorgedacht.
Genezing,
Ja,
dat had hij verwacht,
vast geloofd,
Maar
voor deze opdracht
deinsde hij terug.
En de Heer?
Zei die: ‘Ja hoor, nu vertel jij het maar.
Geef jij je getuigenis maar.
Nu is het jouw beurt.
Je bent toch dankbaar?’
Nee hoor!
De Heer zei: ‘Ga maar gerust heen en jij hoeft er niet meer over te praten.
Laat maar zien dat je genezen bent.
Laat maar zien dat je veranderd bent.
Laat het maar zien in je leven.
Toon je aan de priester.
En laat dat maar een getuigenis zijn,
voor hen
en voor allen, die nu om ons heen zijn.
En zo ging de man
met de massa
achter zich aan,
nu een andere massa,
een sfeer van gejuich,
een sfeer van vreugde
en grote verbazing,
Op naar Jeruzalem,
op naar de tempel,
de priesters,
zoals de wet voorschreef,
zoals Jezus nu zei.
Zo groeide de schare,
die de stad uitging
achter de genezen melaatse aan,
de stad uit.
Ja, zo liep heel de stad leeg
achter het succes aan
En Jezus zei:
‘Gaan jullie mee, jongens?
Voordat de mensen terugkomen.
Want als ze dit horen
is het hek van de dam.’
Zo ging Hij
naar eenzame plaatsen,
deel dicht naar zijn Vader,
om kracht te ontvangen voor hemzelf.
Om kracht te vragen voor de genezen melaatse.
Om het werk te bespreken van deze dag
en voor de komende dagen.
- De woestijn in
- Gedumpt door dorpelingen
- Geen houden meer aan
- Boter bij de vis
- Mondje dicht - laat het maar zien
- Wat het zwaarst is
- Een huis vol Levieten
- Wet of werking
- Frontale Botsing
- Zwart -Wit
- Zaad en licht
- Heilige moeder
- Geweld rondom geloof
- De eerste geestelijke werker
- Jaïrus
- De uitzending
- Herodes doodsbang
- Voedselvoorziening
- Weer op het meer
