Een huis vol Levieten
Een huis vol Levieten...
Nog geen twee weken geleden was het gebeurd.
Levi,
een tollenaar,
had zomaar zijn tolhuis verlaten,
hield het voor gezien
en liet al zijn belastingpapieren,
zijn beste baantje,
zomaar achter.
De overheid wist niet hoe snel ze weer een nieuwe
bewoner in het tolhuis moesten aanstellen.
O ja, er waren er nog altijd wel,
die dit baantje wilden.
Belasting innen.
Tol laten betalen
voor de Romeinse overheid.
En dan,
kort daarop…
Iedereen spreekt erover in de stad:
Het huis van Levi,
de bekeerde tollenaar
is vol tolheffers, vol belastingmensen.
Van overal kwamen ze vandaan.
Heb je het al gehoord?
Tot in de verre omgeving staan de tolhuizen leeg.
Nergens wordt meer belasting gevraagd.
Nergens word je meer lastig gevallen.
Ja en men zegt,
dat Jezus ook daar binnen is,
in het huis van Levi.
Zou het waar zijn?
Zou Hij al die gehate mensen
Tot andere gedachten weten te brengen?
Dan zouden ze nu verlost zijn
van al die hoge belastingen.
Zo is Jezus daar
inderdaad in het huis van Levi.
Op een feestmaal.
Buiten drommen de mensen samen.
Men wil straks wel wat horen.
Zal Levi een verklaring afleggen?
Vanaf het balkon van zijn huis?
Of Jezus?
Ieder is door het dolle heen.
De jongeren dansen in reidans.
Geen belasting meer betalen.
Ook op de weg naar Jeruzalem is het tolhuis leeg.
Bij Jericho, zegt men,
kun je ongehinderd in en uit.
Vanuit Kapernaüm, vertelt men,
zijn al vroeg tal van tolheffers vertrokken
naar het huis van Levi.
En zo kraakt de orde in het land.
Zo kraken de poten onder Pilatus’ stoel.
Want, geen belasting,
geen soldij.
Geen soldij, geen soldaten.
Dan zijn ze vrij.
Dan is Hij hun bevrijder,
hun koning.
De ouderen houden zich wat rustiger,
wachten liever eerst nog wat af.
Maar de jongeren dansen.
‘Nu is de aangename dag des Heeren.
Nu is de dag der wrake
van onze God’
Zongen ze.
Maar wie komen daar aan?
Voor wie maakt men ruim baan?
Voor wie ruilt men zijn plaats zo gewillig in?
Daar komen ze,
hun leiders,
de religieuze machthebbers.
Farizeeën, schriftgeleerden,
tempelwachters.
Zij?
Zijn zij blij dat Jezus zo’n enorme invloed heeft?
Dat overal de zaken gaan schuiven?
Dat de gevestigde orde op instorten staat?
Nee,
zij zijn razend.
Jaloers. Ze weten maar al te goed wat daar gebeurt,
bij die Levi,
die gehate tollenaar.
Jezus,
Hij brengt ze tot andere gedachten.
Wat zal het volk Hem daarom bejubelen.
Wat zal Hij populair worden.
Een bedreiging voor het bestel van de bezetter,
de overheid van de Romeinen.
Hoor eens
hoe de mensen
nu al Hem prijzen om zijn invloed,
Zijn macht.
Zij konden dat niet.
Met heel hun tempeldienst,
met al hun wetten en offers.
Zij konden het volk niet zo beïnvloeden.
En zeker niet verlossen van al deze gehate tollenaars.
En dan gaan ze naar voren.
Ballen hun vuisten.
Ze roepen het volk toe.
Zien jullie wel?
Hij, die Jezus.
Hij eet met jullie vijanden.
Hij heult met hen.
Dief en diefjesmaat.
Zo proberen ze Hem te bekladden bij het volk.
Zo willen ze Hem
buiten gevecht stellen.
Maar binnen gaat het feest door.
De tollenaars,
ze drinken de woorden van Jezus in,
als de fijnste wijnen.
Ze ervaren diepe blijdschap
door de nieuwe gedachten,
nieuwe wegen,
die Jezus hun wijst.
Zij sluiten hun boeken af.
Zij stoppen ermee.
Zij gaan wat anders doen.
Nooit meer die hebzucht
Nooit meer dat geld,
die diefstal.
Maar dan staat Jezus op.
Wat gaat Hij doen?
Regelrecht loopt Hij naar het bordes
waar Hij de joelende menigte kan overzien
en
de scheldende Farizeeën.
Als Hij daar verschijnt is het doodstil,
in een mum van tijd,
tot op de achterste rijden
houdt ieder
fe adem in.
Gaat Hij nu een verklaring afleggen?
Gaat Hij nu hun leiders aanvallen?
Of de Romeinse overheid?
Dat is levensgevaarlijk.
Zowel het één
als het ander.
Maar,
dan zijn zij er ook nog,
het volk.
Als iemand Hem maar aanraakt,
Hem kwaad wil doen,
met de vinger durft te wijzen,
dan zullen zij wel eens.
Dan zullen zij Hem wel bevrijden
en meevoeren
als hun koning.
En zo,
terwijl de spanning stijgt tot het kookpunt
en de Farizeeën en schriftgeleerde
daar vooraan
voor het oog van allen
hun woede staan te verbijten,
maar ook niet weten wat er nu zal gaan gebeuren,
spreekt Jezus.
Duidelijk richt Hij zich
tot de Farizeeën:
Achter Jezus verdringen zich de tollenaars
en Levi.
Blijde mensen,
vol
nieuwe gedachten.
Vol als van nieuwe wijn,
met stralende ogen.
Met harten, genezen van haat en schuldgevoelens.
Dan klinkt Jezus’ stem:
‘Jullie schriftgeleerden,
wetdeskundigen,
ga maar naar huis met deze les
dat Ik barmhartigheid wil en geen offerande.’
Ik?
Ik?
Wie is Hij?
De Zoon van God?
Barmhartigheid.
Dat kennen ze niet.
De schare, die de wet niet kent,
offeren zullen ze,
doen wat zij in de wet lezen.
Laten wat zij door de wet verbieden.
De schare.
Zij zullen heersen over hen.
Door offers en tempeldienst.
Door ze te laten zwoegen,
te laten betalen,
te laten bloeden.
Voor rechtvaardigheid.
Geen offeranden meer?
Alleen barmhartigheid?
Daar bouw je geen tempeldienst mee.
Daar onderhoud je geen priesterschare mee.
Hun broodwinning wankelt.
Hun aanzien vergaat.
Maar dan vervolgt Jezus:
‘Ik kom niet om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.
Zoals een dokter niet komt voor de gezonde, maar voor de zieke mens.’
Ja, het volk,
Ademloos had het geluisterd.
Het begreep wat Jezus bedoelde.
Heel die tempeldienst,
ze waren er nooit een haar beter van geworden.
Ze waren er nooit tot rust gekomen,
nooit gelukkig door geworden.
Ondanks vele voetreizen naar Jeruzalem
Ondanks vele offers,
jarenlang.
Maar hier,
hier kon je blij worden.
Zie die tollenaars maar.
Zie Levi dan,
de gastheer.
Zo blij en rustig staan ze daar,
terwijl ze best nog last zullen krijgen
Met de overheid.
Zomaar stoppen?
En wie zal hun straks een baantje geven?
Spitten kunnen ze niet.
Voor bedelen zijn ze te deftig.
Zie ze staan,
vol blijdschap en rust.
Maar dan zegt Jezus nog voordat de Farizeeën
bekomen zijn van hun schrik:
‘Weten jullie hoe het zit?
Alles wat Ik nu aan deze mensen vertel,
al deze nieuwe gedachten,
passen niet in jullie tempeldienst,
in jullie godsdienst,
in jullie gedachten.
Jullie zijn daar veel te star voor.
Veel te bekrompen.
Jullie zijn net een stelletje ouwe zakken.
Als je daar nieuwe wijn in doet
gaan ze barsten!’
Wit van woede staan ze daar,
aan de grond genageld.
Hemel en aarde draaien voor hun ogen.
Waar moet dit heen.
Heel rustig vervolgt Jezus,
terwijl de schare trilt van spanning:
‘Jullie willen geen nieuwe gedachten ontvangen.
Verslaafd als je bent aan oude wijn,
wil je ook geen jonge,
geen nieuwe,
geen sprankelende gedachten.
Blijf dan maar bij je oude,
vertrouwde
wereldje van wet op wet.
Van gebod op gebod.
Van geld voor God.
Voor jezelf.
Dan draait Jezus zich om.
Onbekommerd om de donderbuien,
die zich buiten nog gaan ontladen.
Tussen Levi en zijn vrienden
gaat Hij weer naar binnen
om te spreken over de zaken van zijn koninkrijk.
De schare,
uitzinnig door alles wat het gehoord had,
verspreidt zich dansende door de dorpen.
En in de komende dagen
hadden de Romeinen de handen vol
om overal nieuwe tolheffers te benoemen.
Om de orde te handhaven.
En de Farizeeën,
handhavers van wet en gerechtigheid,
zij laten zich voorlopig niet meer zien.
Zeker niet bij Jezus.
- De woestijn in
- Gedumpt door dorpelingen
- Geen houden meer aan
- Boter bij de vis
- Mondje dicht - laat het maar zien
- Wat het zwaarst is
- Een huis vol Levieten
- Wet of werking
- Frontale Botsing
- Zwart -Wit
- Zaad en licht
- Heilige moeder
- Geweld rondom geloof
- De eerste geestelijke werker
- Jaïrus
- De uitzending
- Herodes doodsbang
- Voedselvoorziening
- Weer op het meer
