Wet of werking
Wet of Werking..?
Hij wil barmhartigheid.
Goed doen.
Genezen
Blij maken
en geen offerande.
Geen wetten.
Geen strikte gehoorzaamheid.
Dwaalleer!
Heeft de oude profeet niet gezegd:
‘Ziet, de hand des Heeren is niet te kort om te verlossen,
maar uw zonden zijn het die scheiding brengen
tussen u en Mij!’
wat wil Hij dan?
Wij zullen Hem wel eens aanpakken.
Dan zal Hij het wel leren,
wat het betekent,
dat je niet alles zomaar mag doen
en zeker niet op de sabbat,
dat barmhartigheid alleen
niet voldoet
aan de wet!
En zo zaten ze sabbat aan sabbat
onder zijn gehoor in de synagoge
om te zien
of Hij iets zou doen
wat volgens de wet niet mocht.
Maar Jezus,
Hij wist het wel,
dat ze Hem wilden vangen op zijn daden.
Ging Hij nu stiekem verder werken?
Ergens op de achterste rij,
achter de ruggen van de mensen?
Nee, ook nu was Hij zeker
van het werk van zijn Vader.
Plotseling onderbrak Hij zijn spreken.
Wat was dat?
Werd Hij nu persoonlijk?
‘U daar,
ja u, met uw handicap,
uw handje.
Ga eens staan!’
Allen kijken verbaasd.
Wat is dat nou?
Waarom dat?
Wat wil Jezus?
En dan ziet men daar
tussen het volk een man staan
en zijn rechterhand
is klein en verschrompeld,
niet groter dan het handje van een baby.
Even kijken hoor,
Het is toch wel zijn rechterhand?
Ja kijk, het hangt slap neer van zijn rechterschouder,
aan een armpje,
tot aan zijn middel.
Vol afgrijzen kijkt men er naar.
Ook de Farizeeën,
de schriftgeleerden.
Ze gruwen van deze ruwe situatie,
deze man
zo ten toon te stellen.
Dat is wreed, hard, onmenselijk.
Maar de man ziet Jezus,
geen volk of Farizeeër.
Hij ziet Jezus alleen
En zijn vertrouwen groeit.
Zijn geloof in Jezus.
Die zal wel weten wat Hij doet.
Dan zegt Jezus:
‘Kom jij eens hier, man.
Wil je wel eens hier in het midden gaan staan,
zodat iedereen je goed kan zien!’
Ja, nu weet men het zeker.
Er gaat weer iets gebeuren.
Daar kent men Jezus nu al lang genoeg voor.
Daar in het midden,
voor het oog van ieder, die daar in de synagoge is,
staat Hij, Jezus,
met de man
en het handje.
Zou Hij het hier genezen?
Dat kan niet!
Nee, dit niet!
Dit is onmogelijk!
Dat korte handje.
Maar wat zou Jezus dan doen?
Ja, dat vroegen ook de Farizeeën zich af.
Om deze demonstratie,
hoe onmenselijk ook,
konden ze Hem toch niet aanklagen?
Maar waarom zou Jezus dit dan zo doen?
Daar vraagt Jezus ineens,
terwijl Hij zijn hand op de schouder van de man legt:
‘Zeg eens,
jullie die hier zijn
op de sabbat in de synagoge,
mag Ik nou goed doen op de sabbat of niet?’
goed doen?
Natuurlijk wel!
Wie dat verbood was waanzinnig,
gewoonweg gek.
Mag je wel goed doen?
Op sabbat?
Het volk,
dat kon geen goed doen in de ogen van de schriftgeleerden,
in de ogen van hùn God,
zoals zíj die voorstelden.
De schriftgeleerden,
zij konden geen goed doen aan het volk,
door hun machteloosheid,
hun ongeloof,
hun liefdeloosheid.
Zij konden niet helpen, genezen, vrede geven!
Maar deze mens,
deze Jezus,
die ging rond, goed doende,
dag en nacht.
Nou?
Komt er nog wat van?
Mag Ik nú goed doen, ja of nee.
De wetgeleerden, zij die altijd precies wisten wat mag en niet,
zij zwegen nu
als het graf.
Veel te gevaarlijk om nu te antwoorden.
Toen keerde Jezus zich tot de man en zei:
‘Strek uw hand uit.’
Dat bungelende handje?
Dat halverwege de schouder hing?
Aller ogen brandden zich vast op de man.
Halzen werden gerekt.
Farizeeër en gewone man,
iedereen was vol aandacht wat dáár nu zou gebeuren,
daar in het midden.
Daar,
midden in de synagoge,
voor aller oog,
hief de man langzaam zijn handje.
Hij hief het!
Hij strekte het uit,
zijn handje, zijn hand!
Kijk dan toch.
De arm werd recht, groter en sterk!
De hand
rimpelig klein en grauw,
werd rose en gaaf.
Zo stekte de man zijn hand uit naar Jezus.
Stralend van vreugde, genezen,
verbonden met Jezus!
Door zijn geloof!
Daar in de synagoge werd de wereld te klein.
Razend van woede
was daar de geleerdheid.
Geen offers,
geen tempeldienst en priesters.
Zomaar genezen, doordat men gelooft!
Het volk jubelde van blijdschap.
Juichend verliet het de morgendienst.
Nergens anders sprak men over.
God heeft grote dingen gedaan.
Hij ziet om naar zijn volk.
Hij helpt,
als ik geloof!
En de Farizeeën?
De schriftgeleerden?
Zij werden er haast knettergek van.
Zij raakten volkomen de kluts kwijt.
En zó kwamen ze op de gedachte
‘we moeten Hem iets aandoen’
‘het enige wat wìj nog kunnen doen is…
Hem doden! ‘
En het gebeurde in die dagen,
dat Hij naar het gebergte ging.
In de bergen kwam je geen wetgeleerde tegen,
geen Farizeeër.
Dat waren niet zulke wandelaars.
Jezus wel!
Hij ging naar het gebergte.
Om te bidden.
- De woestijn in
- Gedumpt door dorpelingen
- Geen houden meer aan
- Boter bij de vis
- Mondje dicht - laat het maar zien
- Wat het zwaarst is
- Een huis vol Levieten
- Wet of werking
- Frontale Botsing
- Zwart -Wit
- Zaad en licht
- Heilige moeder
- Geweld rondom geloof
- De eerste geestelijke werker
- Jaïrus
- De uitzending
- Herodes doodsbang
- Voedselvoorziening
- Weer op het meer
