Frontale botsing
Frontale botsing...
‘Een levende.
Velen levenslang
genezen en bevrijd
van angst voor de dood!’
Ja, Hij was op reis.
En met Hem, vele vele mensen.
Men liet Hem niet meer alleen!
De synagoge had Hem verworpen,
had de poorten voor Hem gesloten.
Het spreekgestoelte was verboden grond nu.
De schriftrollen onbereikbaar.
Nu reisde Hij rond
in het leven met velen.
Nu was Hij zo bezig in de dingen van zijn Vader,
bezig met het werk van God,
zomaar,
langs de weg,
midden in het leven
van alledag!
En zo, temidden van een mensenmassa,
naderde Hij Naïn… de stad.
Kijk,
uit de stad
naderde ook een stroom mensen.
Langzaam, stapvoets, onstuitbaar, haast dreigend.
Daar slingert zich een slang mensen de berg af.
Onheilspellend,
dreigend,
een drom met midden daarin een dode
op een baar.
Ze zijn op weg gegaan
om deze overledene te begraven.
Heel de stad liep uit met deze begrafenis.
Zou je hart er ook niet van omkeren?
Deze vrouw,
eerst haar man verloren
en nu haar enig kind.
Een zoon.
Zo naderen elkaar,
twee drommen mensen
met middenin allebei een Zoon,
een levende Zoon,
de Zoon van God
en een dode zoon,
de zoon van de weduwe.
Een blijde massa mensen.
Een droeve drom.
En daar
buiten de stad
zal de dood het leven opzij duwen.
Zo hoort dat, al eeuwen lang.
En iedereen ging opzij
om deze stoet door te laten.
Langzaam schrijden de dragers voort.
Langzaam splijten ze de schare,
die Naïn nadert,
zoals een bijl het hout splijt.
De schare staat links en rechts van de weg.
Wacht tot dit droeve gebeuren voorbij getrokken is.
Ongehinderd daalt de baar
de weg langs.
Ongehinderd vervolgt die zijn weg
naar het graf.
Zal ook Jezus opzij gaan?
Langs de weg gaan staan?
Zoals het hoort?
Zal ook Hij zwijgen, het hoofd buigen
uit eerbied voor de dood?
Nee!
Zie!
Daar op die weg staat Jezus.
Rustig.
Rechtop.
Als een rots!
De schare met de dragers nadert Hem.
De baar is nu vlak bij Hem.
Dan gaan de eerste mensen
de kop van de stoet uit Naïn
opzij
voor Jezus.
Nu blijven ook zij staan
langs de weg.
tussen al die anderen.
Zo nadert de baar
met de dode
Jezus!
De dragers,
met uitgestreken gezichten,
maar met harten gloeiend van verbazing,
verwarring,
verwachting,
blijven staan!
Zie.
Wat nog nooit gebeurde in Israël, gebeurt hier.
Een doodsstoet staat stil,
tot stilstand gebracht.
- de dragers staan stil -
de mensen, ze drommen op.
Hier is wat te beleven.
ondanks de dode,
ondanks verdriet,
duisternis.
Hier is Jezus.
De man van het licht.
De man van het leven
in overvloed!
Hij zou toch leven geven in overvloed?
Dat zei Hij toch?
Onlangs nog. En nu dan?
Waar blijft Hij nu?
Hij moet opzij!
Maar Hij gaat niet opzij.
Moet de stoet dan om Hem heen?
Hij staat daar
hoog als een rots!
En dan:
Zie, Jezus raakt de baar aan!
De moeder die erachter loopt,
ze ziet
door haar tranen heen,
door haar sluiers heen,
de hand van Jezus
op de baar.
De hand van Jezus,
die nooit heeft misgetast,
die altijd zegende,
altijd genas.
Die hand op de baar.
Hoor dan wat Hij zegt:
‘Jongeling, Ik zeg tegen jou:
sta op!’
Sta op?
Dood, donder op?
En dan,
terwijl trillend van spanning,
van verwachting
de moeder zich staande houdt aan de baar,
beweegt de dode zich.
Nee,
de levende!
Hij komt overeind!
Zo, ingewikkeld in de doeken als men hem had,
zo komt hij op de baar overeind.
Alleen de zweetdoek
als laatste doek los op zijn gezicht gelegd,
valt neer in het zand.
Zo ziet deze jongen
Jezus
als eerste weer
terug in het leven!
En dan begint hij te spreken tegen Jezus.
De schare?
Die gilt van angst.
Her en der vlucht het volk de velden in,
bevangen van vrees.
Elders dringen de mensen opeen
van angst en paniek.
Maar nu handelt Jezus.
rustig,
vol van kracht van zijn Vader,
neemt Hij de doeken
en wikkelt deze af, één voor één af,
slag voor slag.
Zo bevrijdt Jezus deze jongen
van de banden van de dood,
die hem omknelden,
die hem tot een mummie moesten maken.
Ademloos ziet de schare nu toe.
Ademloos staat daar de moeder,
de weduwe.
Ademloos maar
steeds meer
weer moeder van haar kind!
En dan, als Jezus de jongen helemaal weer heeft losgemaakt,
dan dringen de mensen op.
Ja,
ja, hij beweegt.
Hij komt van de baar.
Hij valt zijn moeder in de armen.
En Jezus?
Hij legt steunend Zijn ene arm om de moeder
en zegent haar,
en geeft zo haar
haar zoon weer terug.
De dragers?
Ze laten hun baar vallen.
Anderen grijpen er naar. Hysterisch.
Krijsende mensen rukken en trekken er aan
en over de hoofden heen
worden baar en doeken,
dingen van de dood,
weggeslingerd,
ver weg in de struiken
langs de weg.
Opzij!
Opzij!
Heft, poorten, uw hoofden omhoog.
Laat nu de feeststoet door!
Zo trekt men terug naar de stad.
Men kon over de hoofden wel lopen,
van de duizendkoppige menigte.
Leven in overvloed.
Dat wil men,
dat zoekt men,
dat krijgt men
bij Hem!
En dat vertelt men verder.
Over het hele Joodse land
en in de wijde omgeving
daarvan.
- De woestijn in
- Gedumpt door dorpelingen
- Geen houden meer aan
- Boter bij de vis
- Mondje dicht - laat het maar zien
- Wat het zwaarst is
- Een huis vol Levieten
- Wet of werking
- Frontale Botsing
- Zwart -Wit
- Zaad en licht
- Heilige moeder
- Geweld rondom geloof
- De eerste geestelijke werker
- Jaïrus
- De uitzending
- Herodes doodsbang
- Voedselvoorziening
- Weer op het meer
