Zwart Wit
Zwart/Wit...
Ondanks alles,
de uitnodiging,
de uitnodiging om te komen eten bij de Farizeeër,
onder de Farizeeërs,
bij hemzelf
aan huis.
De veelvraat.
De oproerkraaier.
Gevangen in het net van gehuichelde gastvrijheid.
Geen schare, die te hulp kon komen.
Geen ontsnapping op een schip
of door een dak,
dat opengebroken werd.
Nee,
Jezus gevangen in de valkuil
van de eervolle uitnodiging
In het huis van de Farizeeër.
En ze waren er.
Allemaal.
De vrienden van de Farizeeër.
De medeleidslieden op het vlak der wet,
op het gebied van de vele voorschriften.
Nu zouden ze Jezus wel krijgen,
ten val brengen.
Minstens monddood maken.
Zonder pardon.
Zonder hulp.
Zondermeer.
Punt.
Uit.
En Jezus.
Bleef Hij weg?
Had Hij een smoes of een excuus?
Welnee! Hij doorzag de hele zaak en kwam juist.
Juist daarom, zoveel te liever.
Rustig ging Hij het huis binnen.
De zaal waar het feestmaal gehouden werd,
goed te zien vanaf de straat,
daar hield men van.
Van show.
Het laten zien
en gezien worden.
De zaal was reeds gevuld.
De gasten lagen reeds aan
Op hun roodpluche rustbanken.
De tafel,
overdekt met de heerlijkste gerechten,
met fonkelende wijnen in karaffen.
Rondom lagen ze aan,
de Farizeeën.
In vol ornaat!
Eén plaats was nog vrij.
Eén rustbank.
Aan het einde van de tafel, bij de deur.
De minste plaats.
Haast een staanplaats.
En als opeens,
daar stond Hij, Jezus,
bij de deur.
Maar ’t was net of niemand Hem zag of wilde zien.
De gesprekken gingen gewoon door,
alsof Hij lucht was.
Daar stond Hij,
bij de deur in al zijn rust.
Voor gek?
Niemand begroette Hem.
Zelfs geen slaaf waste Hem de voeten
bij het binnenkomen,
zoals dat toch te doen gebruikelijk was,
een voorgeschreven vorm was
van gastvrijheid.
Ja, men had zelfs de schaal met water,
de doeken,
weg laten brengen.
Duidelijker kon men het niet laten voelen.
Jezus, jij bent hier te veel.
Wel uitgenodigd,
maar niet welkom.
Met een minzaam gebaar wees de Farizeeër Jezus zijn plaats
bij de deur,
de minste plaats.
Nu kon de vernedering beginnen.
Eigenlijk was hij al begonnen.
Men zou Hem doodzwijgen,
negeren,
als lucht tolereren,
Meer niet!
Geen mens kon Hem hier uit redden,
de Farizeeër,
Hij was gerust.
Hier begon de vernietigende victorie
van die vervloekte rabbi.
Hier in zijn huis,
in hoog gezelschap
van heel het Farizeeërdom.
En Jezus?
Sloeg Hij zijn ogen neer?
Ging Hij de aandacht trekken,
door te kuchen,
door druk te praten,
door te vragen:
‘Geef mij de appelmoes eens aan?’
Nee!
Rustig ging Hij aanliggen.
Vast verzekerd van zijn plaats,
zijn taak,
ook hier,
ook nu!
En, nog maar net gelegen,
juist zou men minzaam,
doch ongestoord
verder discussiëren
zonder Hem,
of daar opeens
staat weer iemand in de deuropening.
Maar dat kan toch niet,
dat is ongehoord.
Onmogelijk!
Daar staat ze…
de slet,
de hoer, waar ieder van sprak.
De slechtste vrouw
van heel de stad.
Achter Jezus.
Ja,
nu zijn aller ogen op Hem gericht,
op Hem tegen de achtergrond van dit duistere leven,
dit menselijk wrak,
deze vrouw der nacht.
Hier bleek zijn rust,
zijn liefde,
zijn gezag vol genade!
De Farizeeën,
ze schuiven angstig heen en weer
op hun roodpluchen rustbanken.
Ze richten zich half op,
half en half toe
naar Jezus en die vrouw.
Zie dan toch!
Deze vrouw,
gebogen treedt ze een stap vooruit,
en daar, net bij de bank van Jezus,
daar bij de deur
blijft ze staan aan het voeteneind
achter Jezus.
Dan breekt ze los.
’t Is of alles in haar zich ontspant
ontlaadt.
Al de haat van de laatste jaren,
al de liefdeloosheid,
al de eenzaamheid,
heel haar zwarte innerlijk
huilt ze uit
aan Jezus’ voeten,
aan Jezus’ hart.
Hier! schreeuwt dit innerlijk,
hier! Ze verlangt verlost te worden,
een nieuwe kans te krijgen
om te leven.
Heer!
Vergeef me!
Geef me een nieuwe kans!
En zo,
Terwijl de huilbui alles als een lawine doet loskomen,
heel dit leven schokschouderend neervalt,
stromen de tranen neer,
stroomt daarmee tevens het licht
in dit donkere hart!
Zo geeft deze vrouw
haar nood
in ruil
voor het leven van vrede.
En vol van diepe vreugde
huilt ze nu tranen van intens geluk,
van diep opbruisende blijdschap.
Zo knielt ze neer aan Jezus’ voeten.
Haar tranen, ze druppen neer op Hem,
daar waar zij zich neerboog
bij zijn voeten.
Heel teer,
heel zorgzaam,
ja, vrouwelijk, maakt ze haar haren los,
ontbindt ze de wrong,
laat zo haar haren vallen
over Jezus’ voeten,
droogt deze
daarmee.
Vol afgrijzen zag men toe.
Wat moest deze scène beduiden.
Walgelijk. Zo’n vrouw,
zo’n slet
hier in huis,
hier aan tafel
in hun gezelschap aan hun dis.
En de gastheer?
De Farizeeër onder de Farizeeën,
hem sloegen de kleuren uit, tot diep onder zijn baard,
dan trekt hij wit weg,
maar dan,
dan trekt een hatelijk lachje om zijn mond.
Hier zal hij Hem op pakken.
Want,
als Jezus een profeet was,
wist Hij toch zeker wat ieder wist,
dat dit een slechte vrouw was.
Een slet, die Hem benaderde.
Dan zou Hij haar toch wel van zich afstoten
zoals je een vieze straathond wegstoot?
En zeker hier.
Ja,
Jezus zou dat niet weten?
Kom nou!
Jezus zou haar verstoten?
Als Hij wist hoe slecht ze geleefd had?
Jezus,
Hij keek verder dan zijn neus lang was
en zeker dan die van de Farizeeër.
Hij keek naar het hart van de vrouw,
naar wat daar leefde.
En een grote blijdschap
tintelde in zijn ogen.
Opeens klonk daar zomaar:
‘Simon!’
Ja, zomaar de voornaam,
zonder poespas, persoonlijk,
recht op de man af.
‘Simon!
Simon, Ik wil je antwoord geven
op je diepste gedachten.
Ik wil je wat zeggen.’
‘Wel, zeg het meester’,
klonk het zelfverzekerd van het hoofd der tafel.
Zeg het.
Want hoe zou Jezus zich hier uit kunnen praten,
uit kunnen redden?
Nee, Simon kon gerust zijn.
Zelfverzekerd zijn.
Wel, sprak Jezus,
een schuldeiser had twee schuldenaars.
Eén met een kleine schuld.
Eén met een grote schuld.
Beiden schold hij de schuld kwijt.
Wat denk je nu, wie van de twee was het meest dankbaar?
Ja, dat was niet zo moeilijk.
Maar wat wilde die rabbi daarmee?
Voelde Simon al wat nattigheid?
‘Ik denk…’
zei hij, ‘ik denk die het meest werd kwijtgescholden.’
‘Juist’, zei Jezus onverstoorbaar.
‘Heel goed geantwoord.’
En terwijl Hij met zijn arm naar de vrouw
aan het voeteneind van de rustbank wees
vroeg Hij
heel gemoedereerd:
‘Ziet u deze vrouw?’
Ziet u deze vrouw?
Dat was toch al te dol. Was hij nu gek of Jezus?
Hij was toch niet stekeblind?
Daar ging nu toch alles om,
deze schandvlek,
in zijn stralend witte wereld
van marmer en damast?
Denkt Hij dat ik niet zie wat daar gebeurt?
Ik ben toch niet gek, wel?
Zo dacht Simon diep achter zijn donkere blik.
Zo mompelde hij vanachter zijn zwarte baard.
Maar daar sprak Jezus:
‘hoor Simon, Mij heb je niet ontvangen in je huis
al mocht ik ook mee-eten.
Ik kreeg geen water voor mijn voeten,
geen olie om me te zalven.
Deze vrouw
heeft alles gedaan wat u moest doen.
Alles uit liefde en dankbaarheid
met heel haar wezen.
Haar is dan ook veel, heel veel vergeven.
Kwijtgescholden, bedoel Ik,
want al waren haar zonden
zo rood als karmozijn
of als het pluche van je banken,
ze zouden worden zo wit als wol,
als de wol van uw mantel.
Deze vrouw
betoonde mij veel, heel veel liefde,
veel zorg,
omdat ze heel gelukkig is,
omdat haar heel veel vergeven werd.
Zo was het toch, zoals je zelf zei?
Zo werkte dat toch? Zei je dat niet zelf?
Wat?
Had Simon dan weinig liefde,
waren zijn zonden dan niet vergeven?
Waren zijn offers dan niet voldoende geweest?
Zijn wetskennis,
zijn wetsbetrachting?
Vergeving volgde toch op offers?
Wat had dat dan met liefde te maken?
Keerde deze Jezus nu alles om?
Rinkelde nu heel de dis
met al de glorie,
met al de glans
Aas broos glaswerk over de plavuizen?
En zo,
waar niemand de aandacht kon afleiden,
waar de Farizeeën in hun eigen wereld,
hun eigen gezelschap
ten volle erbij bepaald werden,
Sprak Jezus:
‘Vrouw, luister eens,
ga maar naar huis, je geloof
heeft je behouden.
Voor jou was geen redding meer,
voor jou was geen vergeving meer,
voor jou
is er nieuw leven nu,
geloof het maar,
zondermeer!’
De maaltijd was over.
De Farizeeën, ze hadden er de buik vol van.
En Jezus?
Zijn spijze was te doen
de wil van zijn Vader.
Hij had zich zo heerlijk verkwikt
aan deze vrouw,
aan haar geloof,
haar liefde,
haar behoud.
- De woestijn in
- Gedumpt door dorpelingen
- Geen houden meer aan
- Boter bij de vis
- Mondje dicht - laat het maar zien
- Wat het zwaarst is
- Een huis vol Levieten
- Wet of werking
- Frontale Botsing
- Zwart -Wit
- Zaad en licht
- Heilige moeder
- Geweld rondom geloof
- De eerste geestelijke werker
- Jaïrus
- De uitzending
- Herodes doodsbang
- Voedselvoorziening
- Weer op het meer
