Geweld rondom geloof
Geweld rondom geloof...
Dan maar geweld,
woest geweld,
want sterven moest Hij.
Sterven, voordat nog meer mensen
echt gingen geloven,
echt tot leven kwamen,
opstonden uit
de dood.
Ha, ha.
Was Hij het licht der wereld, als een lamp?
Goed, doven zou dan dat licht in de woeste golven
als een nietige kaarsvlam in het water,
sissend neerzinken in duistere diepten.
Was Hij het zaad?
Goed, dan zou het gezaaid worden
Hij met zijn vrienden,
met man en muis vergaan
als zaad op de bodem van de zee
zonder dat iemand het merkte.
In het ongunstigste geval zou Hij aanspoelen
als schuim op de rotsen,
als vloedlijn op het strand der zee.
Ha, ha.
Ja, zo zon de duivel op wraak.
Was het geweld van Nazareth op niets uitgelopen?
Was de list in het huis van de Farizeeër mislukt?
Dan nu
geweld.
En wat zou er sterker zijn dan geweld…
alles vernietigend geweld.
Geweldig!
Geweld van wind en water,
Onafwendbaar,
grauw en afdoende!
Zo stapte Jezus
met zijn vrienden
aan boord van een schip.
‘Laten wij maar naar de overkant varen,
naar het land der Gerasenen.
Zo staken ze van wal.
Zo stak ook de duivel van wal.
Zouden ze ooit de overkant bereiken
met die mensenmoordenaar
op de loer?
En Jezus,
hield Hij de luchten en de wind in de gaten?
Hij, die alles wist?
Gaf Hij zijn discipelen aanwijzingen,
waarschuwingen,
opdracht
Hem te wekken
als er gevaar zou dreigen?
Welnee.
Terwijl zij voeren
was Jezus in volkomen rust en viel in slaap.
En toen,
toen alles in rust scheen, daar op dat meer,
hoe zachtkens gleed dat bootje
al op dat spiegelend meer,
toen balden de wolken zich saam tot woest geweld,
toen zwartte het zwerk
in dikke duisternis
En gierend ging de wind plots over het meer,
floot door de touwen van het schip
alsof plots alle diepten der zee
losbarstten, zo rezen de golven
huizenhoog
boven het
schip.
Zo,
in deze woeste razernij van de natuur,
zo dacht de duivel zijn slag te slaan,
de strijd te winnen
eens en voorgoed.
De discipelen,
zij kenden de zee, zij kenden hun vak.
Zij zetten zich in, zo zwoegden zij voort.
Maar zulk noodweer,
nee, dat hadden ze in lang niet gehad.
En zo, in dat woeste geweld
steeg de nood,
steeg het water in het schip,
het maakt meer slagzij.
golf na golf lag het dieper,
zo steeg de nood
ook in hun hart
tot aan de lippen.
Hun kracht schoot te kort.
Hun kunde was onvoldoende.
Hun angst groeide,
groeide tot paniek.
En Jezus,
Hij sliep, in alle rust.
Wie het was geweest, die het had gezegd,
wist later niemand meer na te vertellen,
maar plots was daar de gedachte:
‘Zullen we Hem wakker maken?’
Doe het – en snel,
nu,
want wij vergaan!
‘Meester, Meester,
wij vergaan!’
Eén woeste schreeuw uit twaalf van angst toegeknepen kelen,
schor en woest door weer en wind:
‘Meester, Meester, wij vergaan!’
ja, daar was Hij, hun Heer,
daar op de voorplecht,
meteen klaarwakker,
geen dromer,
nee,
meteen midden in het leven,
midden in het geweld
als een vuurtoren in het duister,
als een rots in de branding,
onwankelbaar.
En zo,
dwars door alles heen,
klonk rustig maar vol gezag zijn stem:
‘Zwijg, wees stil”
tegen de wind en de zee
alsof Hij een woedende schare mensen toesprak.
Zwijg, wees stil?
Heer…geen woorden maar daden.
Help toch!
Greep Hij geen helmstok of fokschoot?
Greep Hij geen emmer om water te hozen?
Alleen maar een woord.
En nog was dit niet weggestorven
in het woest geraas van wind en water
of
plotseling
als het doorbreken van de zon door een nevel
werd het stil,
volkomen stil,
je kon een drup horen vallen,
je kon de harten van de discipelen haast horen bonken in hun keel.
En zo,
in die volkomen stilte
kwamen zij allen tot rust,
daalde ook de stilte, de rust weer neer in hun hart,
door zijn woord,
zijn wezen.
En daar, in stille verwondering
voor hun meester
in die diepe stilte tot ver rondom
klonk plots de vraag:
‘Vertel me eens,
waar was jullie geloof?’
- Waar was jullie geloof? –
Geloof? Wat had dat nu met dit weer te maken.
Geloof?
Waar of dat was?
Alsof Hij naar een stuk touw vroeg
of een emmer met vis.
Waar was jullie geloof.
Was zijn geloof dan een kracht,
sterker dan dit geweld?
Geloof,
meer dan
geweld?
En zo, terwijl ze vol verwondering boven het meer
de zon zagen doorbreken
de zwarte wolken zagen breken,
zo daalde diep in hun hart het licht,
het stralende licht
van hun geloof.
En ze vroegen zich af:
Hoe is het mogelijk.
Hoe werkt dan die kracht
van zijn geloof,
van ons geloof,
Sterker dan kennis,
sterker dan kracht.
Hoe is het mogelijk
Dat zelfs de kracht van de wind,
de kracht van het water,
het onderspit moeten delven voor de kracht
van het geloof!
Ons geloof?
Waar dat was?
Hebben wij dan die kracht,
groter dan het grootste geweld,
als wij geloven?
Ongelooflijk!
- De woestijn in
- Gedumpt door dorpelingen
- Geen houden meer aan
- Boter bij de vis
- Mondje dicht - laat het maar zien
- Wat het zwaarst is
- Een huis vol Levieten
- Wet of werking
- Frontale Botsing
- Zwart -Wit
- Zaad en licht
- Heilige moeder
- Geweld rondom geloof
- De eerste geestelijke werker
- Jaïrus
- De uitzending
- Herodes doodsbang
- Voedselvoorziening
- Weer op het meer
