De eerste geestelijk werker
De eerste geestelijk werker...
En zo,
vol van geloof in de Zoon van God
voeren ze voort naar de overkant,
daar waar steil de rotswanden
uit zee zich verhieven,
waar het meer van Galilea
grensde aan het gebied der Gerasenen.
Voor hen gloeiden de rotsen
in het rode licht van de ondergaande zon
die nu, prachtig als een vuurbal, neerzonk
in het westen boven Galilea.
Daar
in die rode gloed
vlamde woest de wraak van de duivel,
de kracht van de dood,
in de ogen van een bezeten mens.
Daar was de duivel
met duizenden demonen,
een legioen,
persoonlijk in een mens gevaren,
geland
in een wilde woeste invasie
al heel lang geleden.
Daar zou hij Hem treffen,
daar zou de duisternis dan het licht grijpen,
de dood het leven,
en dit doden,
doden
door duizenden
demonen.
Daar leefde, als een dode, in de graven die man.
Daar woest en wild,
was deze kust, deze rotswand,
woest gebied, gebied van de dood.
En ieder die hier maar een voet aan land dorst te zetten
was een kind des doods,
daar zorgde hij wel voor,
de bezetene
van Gardara.
Men had hem vaak geketend,
met zware kettingen vastgeklonken aan grote rotsblokken,
maar altijd had hij zich brullend bevrijd,
althans van die knellende ketenen,
deze woesteling,
deze duivelsbezeten mens.
Ja, en zodra Jezus voet aan land zette
het schip op een rotsstrandje vastliep,
trad deze mens Hem tegemoet,
naakt,
geen draad meer aan zijn lijf,
leeggeplunderd
door de duivel
tot op het bot.
En zo, woest en wild,
in zijn dreigend geheven vuisten
grote rotsblokken geheven,
om gillend
zijn geweld te plegen.
De discipelen,
het angstzweet breekt ze uit:
Meester, pas op.
Hier is de gek van Gardara,
keer terug, vlucht,
hier is geen houden aan.
Meester, pas op,
wij vergaan!
Maar, terwijl Jezus daar stond
oog in oog met de dood,
drong er licht door in de duisternis
en de duisternis heeft het niet gegrepen.
Zie dan toch.
Wankelend komt de man nader
tot vlak voor Jezus,
dan valt hij dreunend neer
alsof het doorklinkt in holen en graven,
met luid gebrul,
met schuim op de mond,
met rollende ogen,
als wrakhout van de dood
op het strand van het leven.
Vol afgrijzen staan daar de discipelen
bibberend in hun doorweekte kleren,
met van angst knikkende knieën.
Hoor dan toch,
hoor dan
hoe de man spreekt met luide stem.
De man?
’t Is alsof duizenden stemmen als een stem
weerklinken
vanuit het diepst van dit leven.
‘Wat hebben wij met U te maken,
Jezus,
Zoon van de allerhoogste God?’
Ja, bang was de duivel,
doodsbang,
en al zijn boze engelen,
dat hele legioen in die man.
Bang voor die Ene,
die mens Gods,
Jezus.
Bang
voor de kracht van het geloof
die groter was, veel groter
dan de kracht van hun geweld.
Zij hadden het wel gevreesd,
Jezus,
op het meer overwinnaar,
Jezus,
ook hier overwinnaar.
De Zoon van God, de allerhoogste,
hoger dan alle anderen,
hoger dan hun god, de duivel!
‘Wij smeken U, dat U ons geen pijn doet.’
Wat?
Geen pijn doen? Kon dat dan?
En zij dan? Werden ze nu kleinzerig?
Hadden ze deze man niet duizenden keren pijn gedaan?
Als hij zichzelf met stenen sloeg,
als zij de kettingen om zijn benen braken
door hun demonische kracht
als geschoeide touwen?
Doodsbang waren die duivelen,
het klamme zweet parelde hen op hun voorhoofden.
Daar aan hun voeten kolkte een zee van woest geweld
in de man,
de mens van
Gardara.
En deze zee zoekt zijn uitweg,
weg van het licht,
weg uit het leven,
weg naar de dood.
Want zo
smeken ze, deze demonen
om een uitweg, een vluchtroute.
Ze voelen wel, deze man zijn ze kwijt.
Deze mens moeten ze verlaten.
Tegen Jezus kunnen ze niet op.
Hij is het waar de Geest Gods op rust,
de Geest van de allerhoogste God.
Hij is het,
die voor gevangenen vrijlating uitroept
en voor gebondenen opening der gevangenis.
Deze mens zullen ze moeten laten gaan
in vrijheid.
Daar in die bergen,
gaat Jezus daar geweld keren met geweld?
Nee,
rustig laat Hij het geworden,
het uitwoeden,
deze demonische stortvloed.
En dan onder luid geschreeuw
verlaten deze duizenden demonen hun prooi
en storten zich zondermeer op een kudde zwijnen.
Nee, niemand die bij Jezus was
liet Hij uit zijn hand rukken,
liet Hij in dit geweld ondergaan.
Plots, de zwijnen
die daar geweid werden, iets hogerop, op een bergweide,
luid gillend
alsof ze door duizenden demonen gedreven werden,
stormen deze dieren rechtstreeks de helling af,
ongeremd, niet tegen te houden.
In heel die omgeving
vertelden ze de vreselijke botsing
tussen Jezus en de bezetene.
En de mensen,
ze moesten wel geloven
of ze het wilden of niet:
Hier was een ramp gebeurd.
Duizenden varkens verdronken.
Heel hun broodwinning
weg!
Geloven jullie het niet?
Kom dan mee en zie waar je zwijnen zijn.
En zo, zo liepen de mensen uit hun huizen,
uit hun dorpen,
om te zien
wat ze niet konden geloven.
Zo kwamen ze bij die rotsige oever van het meer,
die avond,
de zon daalde reeds achter de bergen,
de avond viel snel.
En zo,
zo zagen ze de mens,
helemaal goed bij zijn verstand,
goed gekleed,
rustig
bij Jezus en diens vrienden.
Ja, hun varkens
waren weg. Vreselijke ramp.
Nu waren ze in één klap berooid,
straatarm.
Maar,
vroegen ze hulp aan Jezus?
Waren ze vol ontzag voor wat hier gebeurd was?
O nee,
daar kwamen ze.
De dappersten onder hen
daar stonden ze voor Jezus, vlak voor Hem.
En tegen de vallende avondhemel
staken hun silhouetten dreigend af.
Zwart en dreigend waren hun gebaren,
dreigend klonken ook hun stemmen.
Heer, wilt u wel meteen weer scheep gaan!
Wij willen niet dat U hier blijft.
Wij niet
en niemand!
Heel de bevolking van deze streek wil dat U weggaat.
Ver weg!
En nooit meer terugkomt.
Alstublieft nooit meer!
En Jezus,
ging Hij uitleggen dat Hij het zo goed bedoeld had,
dat het niet anders had gekund?
Dat het geweld zijn loop moest hebben?
De mensen,
ze balden hun vuisten.
Dat Hij de bezetene zogenaamd genezen had,
dat was nog tot daaraan toe,
maar dat Hij hun varkens niet had tegengehouden…
Kon Hij dat niet?
Waarom had Hij dat dan niet gedaan?
Woedend waren ze op Hem.
Ze wilden Hem wel levend van de rotsen gooien
net als met hun varkens was gebeurd.
Maar, ze waren ook
vol van angst voor deze mens,
die zoveel kracht bezat,
meer dan de gek van Gardara.
Daar ging dan Jezus
met zijn discipelen naar het schip.
En de man, nu rustig en kalm in al zijn bewegingen
normaal in zijn lopen,
recht van lijf en leden,
hij vroeg:
‘Heer, mag ik mee?
Mag ik altijd bij U blijven? Mee het schip in?
Nooit meer alleen?
Natuurlijk!
De discipelen wenkten al: kom maar,
kom maar mee met ons,
met ons, je broers nu!
En zo,
voor die woedende schare daar op dat strand
stak Jezus daar een stokje voor.
‘Weet je’, zei Hij,
‘ga jij nou met hen mee
naar hun dorpen en steden
en vertel hen wat er met je
gebeurde.
Ik zal met je zijn,
overal,
tot aan het einde van je leven
en nog langer, tot het einde der dagen.
Doe het maar gerust.
Mij moeten ze niet meer,
maar jou begrijpen ze.
Jij hebt onder hen gewoond,
zij zullen jouw heerlijkheid zien.
Ook voor deze mensen wil Ik graag terugkomen
om hen ook gelukkig te maken, voor altijd.
Ja, als dat kon?
Net zo gelukkig als hij zelf nu was?
Dat wilde hij wel, deze genezen man.
En zo, zonder aarzelen liep hij op de schare toe.
Hij zag met hen het schip zee kiezen,
wegvaren
over het glanzende water.
Maar Hij bleef en ging met de mensen mee.
Hij vertelde overal
wat er gebeurd was.
En het werd doorverteld tot in de wijde omgeving,
tot velen uit die streken
ook gingen geloven:
God is goed.
- De woestijn in
- Gedumpt door dorpelingen
- Geen houden meer aan
- Boter bij de vis
- Mondje dicht - laat het maar zien
- Wat het zwaarst is
- Een huis vol Levieten
- Wet of werking
- Frontale Botsing
- Zwart -Wit
- Zaad en licht
- Heilige moeder
- Geweld rondom geloof
- De eerste geestelijke werker
- Jaïrus
- De uitzending
- Herodes doodsbang
- Voedselvoorziening
- Weer op het meer
