Jairus
Jaïrus...
Daar komen ze
over het meer, Jezus en zijn discipelen.
Zie daar, dat scheepje,
’t komt van Gardara recht hierheen.
Nog een half uur
en het kan hier zijn.
Zo stond de schare op het strand
en groeide maar aan.
Zo wachtte men Hem op.
Zo stroomde men samen om weer wat te beleven
met Hem.
Maar, nog maar net was de boot op het strand gelopen,
zie, Petrus sprong overboord en
legde de boot vast,
of daar,
daar dringt een man naar voren.
De mensen wijken uiteen en laten hem door,
tot vlak aan het water,
daar waar Jezus net voet aan
wal zet.
De mensen,
ze wilden die man wel doorlaten,
de overste uit hun synagoge,
wat moest die nu bij Jezus,
zo’n belangrijk man.
Ze willen echter niets missen.
Geen woord, geen gebaar, hier gaat iets gebeuren!
Kijk hoe deze man, deze deftige leider,
zomaar voor Jezus
neervalt,
zomaar in het natte zand van het strand,
zomaar tussen wier en schelpen.
Een leider
van de synagoge?
Nee, een vader
van zijn kind.
Een vader vol verdriet en verlangen op zoek naar Jezus.
Heer, kom mee met mij.
Mijn dochtertje, mijn enig kind ligt op sterven,
doodziek!
Kom mee en red haar!
Heer!
De mensen, ja, ze kennen dat meisje.
Lief kind, net twaalf jaar
en nu zo ziek dat ze zal sterven.
Ja, ze wisten daarvan.
Maar, gelooft deze man,
deze overste van de synagoge,
deze wetgeleerde
dan in genezing
door Jezus?
Daar kunnen ze niet bij.
Dat kan toch niet.
Maar waarom dan Jezus meevragen naar huis?
Ze dringen op
om Jezus.
En zo kolkt het leven om Hem heen
als een woeste zee.
Hem verhinderend om voort te gaan
om te genezen,
o ja?
Heel langzaam komen ze vooruit.
Er is haast geen doorkomen aan.
Deze schare,
als een kluit bijen om hun koningin
en midden daartussen
vloeit het leven weg
bij een vrouw,
die doodziek is,
ook
al twaalf jaar lang!
O, de vrouw,
ze duizelt tussen al die mensen.
Al twaalf jaar lang verliest ze bloed.
De knapste doktoren konden haar niet helpen,
al die jaren probeerden zovelen
haar te genezen
zonder resultaat.
Ze wankelt mee in het gedrang.
Zij… zou ze Hem vragen haar te genezen?
Nu… Hij… Hier?
En zo, vol strijd, vol geloof, vol verwachting,
dringt deze vrouw zich naar voren.
Zal ze Hem vragen?
Hoe moet ze het Hem zeggen?
Tussen al die mensen hier zomaar op straat.
Ja,
ze gelooft.
Hij kan haar helpen,
Hij kan het,
ze weet het zeker.
Hij had toch zelf gezegd:
‘Ik ben gekomen om leven te geven in overvloed’?
Hij kan het.
Hij … zo vol kracht,
zo vol liefde en gezag.
Als ze maar met Hem in aanraking komt,
dan is het goed.
Ze weet het!
En dan opeens…
als door een vernauwing tussen twee wijngaarden
de schare opgehouden wordt,
wordt ze als vanzelf opgeduwd
door de opdringende mensen.
En dan opeens
is ze zomaar achter Jezus,
achter Hem, haar Heer.
Nu wil ze meteen haar kans grijpen.
Ze strekt zich uit,
vol geloof,
en reikt met haar hand, bevend, naar Jezus,
naar zijn mantel,
raakt die aan,
vol van verwachting,
Geloof!
Ja, ze voelt het.
Op datzelfde moment.
Warmte doortintelt haar van top tot teen.
Een gloed slaat door haar heen
en over heel haar lichaam bevend
voelt ze…
genezen!
Ik ben genezen!
Helemaal gezond!
Zo tussen al die mensen
vlak achter Jezus,
genezen.
Maar dan keert Jezus zich om en staat stil.
Zomaar stil tussen al die mensen
en vraagt:
‘Wie heeft mij aangeraakt?’
Wie heeft me aangeraakt?
Wat was dat nou?
De mensen dringen om Hem heen.
Verdringen zich. Er is geen doorkomen aan.
‘Heer’,
zegt Petrus,
‘Heer, hoe kunt U dat nou vragen?’
‘Toch wel, Petrus.
Kijk, jij ziet alleen maar de massa
die op Me aandringt,
die vlak bij Me wil zijn.
Ik zoek die ene vrouw,
die ene mens,
die ene, die ziek was, maar geloof had,
die daarom kracht ontving,
Ik voelde het toch zelf,
en – genezing kreeg.’
Ja, nu wacht ieder.
Geloof? Genezing?
Niemand had iets gemerkt.
Niemand iets gezien.
Niemand iets gevoeld.
Jij soms?
Jij?
Nee, wij niet,
Wat denk je wel!
En zo bleef daar opeens de vrouw niet onopgemerkt
midden in de massa.
Bevend staat ze daar.
Nu, met Jezus, in een kring de mensen om haar.
Ja, dan wil ik nu ook alles vertellen, alles,
hier voor het
volk.
En zo komt ze op Jezus af.
En vertelt ze alles.
Van al die jaren ellende, nu al twaalf jaar,
Jaïrus knikt,
ja, twaalf jaar,
zo oud is nu zijn dochtertje.
Dat is lang, heel lang om ziek te zijn.
Heer,
en toen dacht ik,
U kunt mij genezen.
Helemaal,
als ik U alleen maar mocht aanraken.
De mensen, ze rekken zich op hun tenen om alles te zien,
om alles te horen.
Zal Jezus die vrouw nu berispen,
die stiekem van achteren
Jezus naderde?
Nee hoor! Daar klinkt Jezus’ stem:
‘Dochter,
uw geloof heeft u behouden.
U bent helemaal gezond.
Alles is goed!
En nog was Jezus niet uitgesproken
of Jaïrus, hij wankelt,
nog klinken de woorden in zijn oren:
‘Dochter, uw geloof heeft u behouden.’
Maar zijn dochter,
Hoe zou het ermee zijn?
Zou het nu toch misgaan?
Toch nog te laat zijn?
Daar komt iemand naar hem toe.
Een van zijn vertrouwde slaven met een boodschap!
Jaïrus – kom maar,
uw dochter is gestorven.
Doe maar geen moeite meer.
Laat de Heer maar met rust.
Voor jou is het te laat!
- Uw dochter is gestorven –
- Dochter, uw geloof heeft u behouden -
Gedrang om leven te krijgen.
De een genezen.
De ander gestorven.
En zijn geloof dan?
Jezus ziet het!
Hij kent het hart van Jaïrus, ziet hem wit wegtrekken,
wankelen
in die massa.
Maar dan grijpt Hij ook in.
Dan, als de nood het hoogst is, steunt Hij Jaïrus, hoor.
Jaïrus, vrees niet,
geloof alleen
en je dochter zal behouden worden.
Geloof alleen?
Is geloof sterker dan de ziekte?
Is geloof sterker dan de dood?
Wat is dat voor wonderkracht?
Eerst bij die vrouw.
Nu bij Jaïrus.
De schare dringt op!
Ze is dood,
de dochter van Jaïrus,
ze is dood!
Ze is dood!
Daar was het huis.
Vol mensen, rouwzangers, buren, vrienden.
Een sterfhuis, dat was duidelijk.
De moeder,
ze zag de schare,
Nee, ze zag Jezus en Jaïrus,
dicht bij elkaar.
Ze vloog het huis uit
naar hen toe.
Haar man.
Haar Heer.
En zo, voor het huis,
ontmoet Jezus deze moeder.
Een vraag in heel haar houding.
‘Kom maar,
kom maar mee met je man
met Mij,
mee naar binnen.
Mee naar de dood!’
Nee, niemand van al die nieuwsgierigen hoefde daar bij te zijn.
‘Gaan jullie ook mee, Petrus, en jij, Johannes,
En jij, Jacobus?’
Zo gingen ze naar binnen.
Vol verwachting,
vol geloof.
En Jezus, vol vertrouwen op zijn Vader.
Hier was geloof,
dus leven in overvloed!
Maar het huis was nog sterfhuis
vol huilende, rouwende mensen.
Hoor hoe Jezus nu optreedt:
‘Stop nou eens met dat gehuil.
Allemaal eruit!
Denken jullie dat het meisje dood is?
Niks ervan.
Ze slaapt. Meer niet!’
Ze slaapt?
Is Hij dan gek geworden,
Deze Jezus?
Zouden ze al dit misbaar maken bij een slapend kind?
Dat was toch al te gek.
En dan opeens.
Het huilen stopt abrupt, alsof er een knop omgedraaid is,
wie begon weet niemand,
maar opeen is het er… gelach,
Gierend gelach.
Weg is het verdriet,
spot borrelt op… één lacht,
twee lachen,
en zo lacht men Hem uit,
Jezus, honend en vol haat!
Zo lacht de dood het leven uit,
want dood is ze.
Morsdood.
Dat wisten ze toch zeker!
Dan is het genoeg.
Drijf ze naar buiten, al deze huichelaars,
Al deze gehuurde huilers.
Toe maar…
Eruit,
Ja, jullie allemaal
Naar buiten en er niet meer in.
Nu wordt het toch al te gek,
Maar ze gaan, de deur door naar buiten.
En als de laatste de deur uit is
sluit Jezus die
voor ieder toe en zegt:
Kom mee…
nu naar het kind.
Daar lag het.
Roerloos.
Wit.
Kil.
En terwijl de schare buitenshuis als een ziedende zee
tekeergaat,
zich voorneemt deze Jezus te arresteren,
dit huis te bestormen,
hun recht op te eisen,
razend zijn ze!,
treedt Jezus nader
naar het kind op het bed,
grijpt het bij de hand en roept:
‘Kind, sta op!’
Jaïrus,
hij kan zijn ogen haast niet geloven:
daar voor hem
Jezus,
zijn vrouw
en … zijn kind.
Het komt overeind en daar, daar ligt het al in de armen van de
moeder. Petrus en Johannes snellen toe en steunen haar.
Jacobus grijpt Jaïrus bij de hand.
Leven… opnieuw… leven
in overvloed!
‘En…
geef haar maar gauw wat te eten,
want echt, het is geen droom,
ze is weer kerngezond,
uw dochter’,
zegt Jezus!
Ja, de schare,
die weet nog van niets,
die dringt naar de deur om straks niets te missen.
Daar komt Jezus wel weer door naar buiten, mensen,
houdt Hem in de gaten.
Laat Hem niet ontsnappen.
Jaïrus en zijn vrouw,
versteld, sprakeloos, totaal verstomd,
nee, daar waren geen woorden voor.
‘Hoeft ook niet’, zegt Jezus.
‘Praat er maar niet over voorlopig.
Laat dat maar aan Mij over.
Ze zouden jullie toch niet geloven.
Ze zouden jullie toch maar verwerpen,
misschien wel doden.
Leef maar
gewoon
met je dochter!’
- De woestijn in
- Gedumpt door dorpelingen
- Geen houden meer aan
- Boter bij de vis
- Mondje dicht - laat het maar zien
- Wat het zwaarst is
- Een huis vol Levieten
- Wet of werking
- Frontale Botsing
- Zwart -Wit
- Zaad en licht
- Heilige moeder
- Geweld rondom geloof
- De eerste geestelijke werker
- Jaïrus
- De uitzending
- Herodes doodsbang
- Voedselvoorziening
- Weer op het meer
