De uitzending
Zojuist dat meisje van twaalf jaar oud,
opgewekt uit de dood.
Net als die jongen uit Naïn...
En dan al die mensen
die beter werden
alleen maar omdat ze geloofden,
Geloofden in Jezus, de grote geneesheer,
de Zoon van God.
De discipelen, ze waren vol verwondering,
vol blijde verwachting.
God was met hen,
met zijn volk.
Was dat ook niet over Hem gezegd?
‘Immanuël’!
Dat wilde Jezus wel eens weten:
hoe zagen de mensen Hem?
Hoe noemden ze Hem?
‘Wat zeggen de mensen van Mij?
Wie ben Ik volgens hen?
Weten jullie dat?’
‘Dat hangt er vanaf, Heer’,
was het antwoord.
‘Sommigen denken dat U Elia bent.
Ze vinden dat U net zo doet als hij.
Dat U in dezelfde geest optreedt.
Anderen denken dat U Johannes bent,
dat die uit de doden opstond.’
‘En jullie?
Wat denken jullie nu?’
Petrus zou Petrus niet zijn
als hij daar niet meteen op insprong.
Heer, zei hij,
Heer, wat U doet is zo geweldig,
zo groot,
zo koninklijk kostbaar,
dat kan alleen de Christus,
de Zoon van de levende God,
en dat bent U!’
‘Ja, Petrus,
dat zeg je nu wel, maar toch heb je niet helemaal gelijk.’
Wat…
Wat het niet zo?
Wat had hij fout gezegd?
‘Weet je, Petrus en jullie allen,
jullie allen kunnen dit doen
wat Ik deed.
En dat is nou ook precies de bedoeling.’
Wat!
Wat bedoelde de Heer nou?
Zij zieken genezen?
Zij melaatsen reinigen,
geesten uitdrijven?
Doden opwekken?
Heer, hoe bedoelt U dat?
Dat kan toch niet.
Wij, gewone mensen,
vissers uit Galilea?
Wij zulke geweldige dingen doen?
Rustig liet Jezus ze uitpraten,
al hun vragen stellen,
al hun twijfel,
hun niet begrijpen uitspreken.
Toen vroeg Hij weer
heel rustig:
‘Wie zeggen jullie dat Ik ben?
Ja, jullie!’
Nu heel persoonlijk,
hoofd voor hoofd.
Heer,
dat weet U.
U bent de Zoon van God,
dat geloven wij!
Echt?
Ja, Heer,
met heel ons hart.
Nou, luister dan goed,
want nu zal Ik jullie eens vertellen hoe het in het Koninkrijk van God gaat.
Nu zal Ik jullie eens
de grondwet van God geven,
van mijn Vader.
Want u die gelooft
geldt dit kostbare:
u bent een koninklijk priesterschap,
een heilig volk,
Gods eigendom.
Ja, jullie,
alleen… omdat je gelooft.
Jullie zijn een koninklijk priesterschap
om de grote daden van God te verkondigen.
Wij, Heer? Zomaar vissers uit Galilea.
Helemaal niet uit de stam van Levi,
nog minder uit die van Aäon.
Wij,
zijn wij priesters?
Die zijn toch in de tempel?
Daar in de tempeldienst doen ze dienst,
maar wij?
Ja, jullie.
Jullie mogen gewoon priester zijn
in het leven van alle dag
En daar doen wat Ik deed:
heil brengen,
want God heeft zijn volk lief,
Sion!
En zongen de ouden niet reeds:
Haar priesters zal Ik met heil bekleden!
Haar armen met brood verzadigen!
Ga maar.
Ga gerust! Nee, niet naar de tempel.
Ga het leven maar in
in mijn naam.
Geneest zieken.
Drijft boze geesten uit
en wekt doden op.
Wij, Heer?
In hun ogen begon het licht te stralen.
Het licht van het leven.
Van vast vertrouwen,
van onwankelbaar geloof.
Ja hoor,
jullie, maar, ga in geloof,
vertrouw niet op geld of op de
mogelijkheden daarvan,
want die zijn schijn,
die zijn niet echt.
Ga in geloof en vertrouw dat Ik je leid altijd weer
daar waar geloof gevonden wordt,
daar waar gelovigen zijn,
die je ook weer verder zullen helpen,
desnoods met kleding en voedsel,
want de arbeider is toch zijn voedsel waard.
Heel simpel.
Daar zorgt dan jullie Vader voor.
En als je niet weet wat je moet zeggen,
net als Jaïrus laatst
en zijn vrouw,
maak je dan maar niet zenuwachtig
en kom dan maar niet in spanning,
Want dan geeft de Geest van God,
onze Vader,
jullie de juiste woorden
in de mond.
Let maar eens op wat Ik jullie zeg!
En zo gingen ze!
Twee aan twee.
Haast hand in hand
zoals kinderen
vol verwachting
vertrekken
voor een wandeltocht.
Wat zouden ze beleven?
Wat zouden ze zien?
Wat mogen doen?
Wacht nog even, riep Jezus.
Ja, nog even riep Hij ze terug.
Weet je, jullie hoeven echt niet bang te zijn hoor,
net zo min als schapen tussen de wolven
zolang ze de herder bij zich weten.
Want de mensen,
die kunnen jullie alleen maar doden,
maar die kunnen niets doen
tegen de wil in van jullie Vader
en die zorgt voor jullie.
Zelfs twee mussen,
te koop voor een duit,
zijn waardevol voor de Vader.
Ik zeg jullie, nooit is er nog een van die twee
te pletter gevallen
zonder dat Hij het zag.
En bedenk maar goed,
als jullie over Mij spreken tot de mensen,
dan spreek Ik over jullie tot Mijn Vader.
Daar leef Ik voor,
nu en later,
om voor jullie te bidden
net als een hogepriester dat doet
voor zijn priesters.
En dan rust Gods oog op jullie,
Hij houdt je in de gaten.
dag en nacht.
Ja,
zo durfden ze wel,
zo gingen ze dan ook.
En overal merkten de mensen het.
‘Zie je dat?’
Deze gewone visserlui,
deze ruwe bonken uit Galilea,
zij deden de dingen die Jezus deed.
Zij zeggen dat ieder dat kan,
ieder die gelooft!
Geloof jij dat?
Genezen worden!
Ja, dat wilden de mensen wel.
Bevrijd worden van duivelse machten,
dat geloofden ze ook,
dat gebeurde ook
zoals ze geloofden.
Maar nu zelf zo geloven,
zo optreden
als Jezus deed,
als deze visserlui?
Dat was nieuw.
Daar moesten ze eerst nog eens een nachtje over slapen.
Dat Jezus deze dingen deed, dat was nog tot daaraan toe:
Hij was de grote geneesheer,
de grote wonderdoener,
maar nu ieder die gelooft?
Dus ook de hele gewone man
in het leven van alledag?
En Jezus?
Hij ging de bergen in.
De eenzaamheid in en bad:
‘Vader, open hun ogen,
dat ze zien
het licht des levens.
Vader, dat ze me niet zien als Elia,
want dan denken ze nog volgens hun
oude tradities over U,
over Mij,
dan is hun Godsbeeld
nog oud
en dood.
Vader,
leidt ze door uw Geest,
help ze te spreken, te geloven, te leven,
te overwinnen,
te groeien in zelfstandigheid,
dat ze mijn werk overnemen,
dat ze dat durven
en dat velen dit doen,
door de eeuwen heen zullen doen wat Ik deed
en grotere dingen nog dan deze.
En daar in de stilte,
in de stilte van de bergen,
suisde slechts de wind door de toppen van de bomen
alsof de Vader wilde zeggen:
‘Vrees niet,
Zoon, Ik ben met jou,
En met een ieder die gelooft
Tot aan de voleinding der wereld.’
Dat is wat!
- De woestijn in
- Gedumpt door dorpelingen
- Geen houden meer aan
- Boter bij de vis
- Mondje dicht - laat het maar zien
- Wat het zwaarst is
- Een huis vol Levieten
- Wet of werking
- Frontale Botsing
- Zwart -Wit
- Zaad en licht
- Heilige moeder
- Geweld rondom geloof
- De eerste geestelijke werker
- Jaïrus
- De uitzending
- Herodes doodsbang
- Voedselvoorziening
- Weer op het meer
