Weer op het meer
Weer op het meer...
Toen ze daar zo stonden,
tussen al die mensen,
tussen al die manden
met brood,
toen…
zei Jezus:
‘Ga nu maar in de schepen,
ik zal de mensen wel wegsturen,
de schare!’
nu wegsturen?
Nu ze allemaal genoeg gegeten hadden?
Nu je ze alles kon vertellen?
Alles kon laten doen?
Alles kon laten geven?
Zag Jezus dan nooit zijn kans?
Wilde Hij die niet zien?
Ging de weg naar het hart
dan niet door de maag?
Ja toch?
Nu weggaan!
Nee, dat niet.
Nu wilden ze wel blijven
bij Jezus en de massa
om te delen in zijn glorie.
Om… Koning moet Hij worden.
Onze koning
die op de aarde is
tegen de Romeinen.
Koning, werd er gemompeld!
Nee hoor.
Gaan jullie nu maar in het schip
naar de overkant. Naar ’t land van Gardara.
Nog aarzelden ze.
Nog draalden ze.
Heer, moet dat nu zo?
Ja, zo wil Ik het.
Aarzel nu niet langer
en laat Ik jullie niet hoeven dwingen,
doe nu wat Ik zeg,
dan zal Ik de schare wegzenden.
En dat deed Hij.
Op het toppunt van zijn populariteit.
Na de duizenden te eten te hebben gegeven.
Geen collecte, geen adres of wat dan ook.
Ga nu, mensen.
Ja, nu,
Ik ga ook weg.
Ik laat jullie nu echt alleen,
want waar Ik heenga
kunnen jullie me toch niet volgen.
Daar snap je niks van.
Ja, want Hij had behoefte
aan eenzaamheid,
aan stilte
om te bidden, om vertrouwelijk te spreken met zijn Vader.
En zo ging Jezus de bergen in.
Terwijl het schip met zijn vrienden koers zette
naar de overzijde
in de laatste gloed van de ondergaande zon.
Zo bad Jezus
vele uren tot zijn Vader.
Tot… tegen de ochtend
daar plotseling een noodweer opstak.
Woeste golven sloegen hoog tegen de rotsen
en daar op dat meer
als een notendopje
het schip
met de discipelen
zonder Jezus.
Nu zouden ze vergaan.
Zonder hun Heer aan boord
zoals de vorige keer.
Nu had de duivel vrij spel
met zijn duister spel
van wind en golven.
En zo zwoegden ze
tegen wind en golven in
Maar ze kwamen niet verder.
O, was Jezus maar bij hen
hier in dit schip.
Wat verlangden ze naar Hem.
Wie het het eerst wist, wist niemand meer,
maar plotseling was het er:
Daar tussen de golven
een lichtende gedaante
zwevend van golfdal naar golfdal.
Verstijfd van angst stonden ze daar.
Verlamd, tot niets meer in staat dan hun angst uit te roepen.
‘Een spook!
Een spook!’
Ja, ze zagen het allen.
Daar tussen de schuimkoppen door.
Het kwam recht op hen af!
Maar toen,
toen in hun grote angst
klonk plots, boven het geweld van wind en water:
‘Houdt moed,
wees niet bang,
Ik ben het…
Jezus!’
Het was of alles hun voor de ogen draaide.
Was Hij daar, Jezus, in het geweld van de golven?
Petrus was het eerst weer bij zijn positieven,
paraat om te praten,
in staat om te denken,
te willen.
Heer, als U het bent,
laat mij dan bij U komen. Geen gezeur.
Spreek slechts een woord en ik kom.
Ik wil bij U zijn,
U helpen,
U verkeert in gevaar!
Spreek slechts een woord!
Wilde Petrus naar Jezus toe? Daar in dat geweld?
Was hij gek geworden?
Maar nog voor iemand wat kon zeggen,
zich ook maar met een vin had verroerd,
Klonk daar…
‘Kom!’
Kom?
Eenvoudigweg komen?
Wie? Petrus? Nu? Zo?
Kijk dan toch. Petrus, hij gaat! Stapelgek.
Zomaar overboord.
Zomaar het water in.
In?
Nee, hij bleef erop staan.
Kijk dan naar zijn voeten.
Petrus, hij ging.
Stap voor stap naar Jezus
over het water.
En Petrus, die voelde zich
op en neer, dan weer zag hij Jezus,
dan weer zag hij er niks meer van,
dan weer was Jezus vlakbij
en dan weer helemaal weg.
Nog een golfberg scheidde hem van Jezus
en toen…
toen werd het Petrus te veel.
De schrik sloeg hem om het hart.
Wat een wind, wat een golven.
En alsof hij door die gedachte
een drijvende boot lek stak,
zo begon meteen zijn voet weg te zinken
in de golven.
De golven werden hoger.
Hij zakte weg!
‘Heer, redt me!’
Ja, daar was de Heer.
Hij greep hem bij de hand.
Hij trok hem weer op. ‘Waarom twijfelde je nou, Petrus?
Je begon toch met te geloven?’
Zo liepen ze nu hand aan hand
op het schip af.
Tien paar handen grepen ze vast.
Heer, Heer, dat U er bent.
Wat fijn!
En toen Jezus nog maar nauwelijks aan boord was
met Petrus,
toen,
ze voelden het meteen,
toen ging de wind liggen,
zomaar,
zondermeer!
De duisternis brak.
De sterren werden zichtbaar.
Hier had geweld geen zin meer.
Hier was Hij overwinnaar. Weer.
Hij, hun Heer!
En terwijl de discipelen neerknielden,
vol eerbied Hem aanbaden
- Heer, U bent de Zoon van God,
Heer, U bent almachtig –
toen,
toen liep het schip op het strand,
het strand van Gardara.
Vlak onder de rotswand,
waar die steil uit het water zich verhief.
Ook nu weer.
Ontsnapt aan het geweld.
Vol verwachting over de kracht van het geloof.
- De woestijn in
- Gedumpt door dorpelingen
- Geen houden meer aan
- Boter bij de vis
- Mondje dicht - laat het maar zien
- Wat het zwaarst is
- Een huis vol Levieten
- Wet of werking
- Frontale Botsing
- Zwart -Wit
- Zaad en licht
- Heilige moeder
- Geweld rondom geloof
- De eerste geestelijke werker
- Jaïrus
- De uitzending
- Herodes doodsbang
- Voedselvoorziening
- Weer op het meer
