21 Normpatroon
21. Normpatroon
De mens is gemaakt met een gevoel voor normen. Het afwijken of niet afwijken daarvan wordt direct teruggekoppeld respectievelijk door gevoelens van verwerping of acceptatie.
Hierdoor is de mens ‘op te voeden’, een sociaal wezen. Het patroon van wat mag en wat niet mag, wat nuttig is en niet nuttig is, wordt in eerste instantie door onze ouders aan ons overgedragen.
Gevoeligheid voor het ‘oordeel van mensen’ is ontstaan in onze opvoeding en daarvan afhankelijk.
Via straf en beloning, verwerping en acceptatie, afkeuring en goedkeuring, zoekt de mens zichzelf een normpatroon uit, dat de beste balans teweegbrengt tussen eisen die de omgeving stelt en beleving van geaccepteerd worden.
Veel gedrag echter berust op pijn.
Geleden pijn doet ons zo ons gedragen dat we de pijn niet meer voelen of niet wéér zullen voelen. We zijn dan pijngevoelig. Dit kan soms heel ineffectief gedrag oproepen, zoals dit bij lichamelijke pijn ook blijkt.
Pijngevoeligheid mag genezen en uitgroeien tot fijngevoeligheid.
(Filippenzen 1: 9-11)
Deze fijngevoeligheid is de basis van ons geleid worden door de heilige Geest. Dan zijn we niet meer op onszelf gericht, vanwege onze pijngevoeligheid, maar op de ander gericht in alle fijngevoeligheid.
Vragen:
1. Angst voor mensen is een overgevoeligheid. Hoe zou dit ontstaan kunnen zijn?
2. Waarom liggen normen vaak zo diep dat men gewoon niet weet dat men ze heeft?
3. Traditie om tot geloofsbeleving te komen, werkt of werkt niet. Wat denkt u en waarom?
4. Als homosexualiteit opkomt stort een cultuur in en omgekeerd, dit bleek in vroegere tijden bij herhaling. Hoe kan dat?
5. Geleden pijn is bij uitstek geschikt om tot hulpverlening te komen, of niet?
In de tekening gebruikte tekst:
Ps. 139: 13-16 Want Gij hebt mijn nieren gevormd, mij in de schoot van mijn moeder geweven. Ik loof U, omdat ik gans wonderbaar ben toebereid, wonderbaar zijn uw werken; mijn ziel weet dat zeer wel. Mijn gebeente was voor U niet verholen, toen ik in het verborgene gemaakt werd, gewrocht in de diepten van het aardrijk; uw ogen zagen mijn vormeloos begin; in uw boek waren zij alle opgeschreven, de dagen, die geformeerd zouden worden, toen nog geen daarvan bestond.
- Inleiding
- 1. Mens: een beelddrager
- 2. Beeldoverdracht
- 3. Beeldstoring
- 4. Gods weefgetouw
- 5. Vervangend vaderschap
- 6. Geen woorden
- 7. Generatieconflict
- 8. De mens alleen
- 9. De maatbeker
- 10. Maatwerk of vaatwerk
- 11. Krachten op het zelfbeeld
- 12. Zelfbeeld in wording
- 13. Beleving bron van reactie
- 14. Zelfbeeld - zelfvertrouwen
- 15. Alles varieert
- 16. Beeld en spiegelbeeld
- 17. Rolgedrag en zelfacceptatie
- 18. Doop in de heilige Geest - vervulling met de heilige Geest
- 19. De Geest leidt tot bestemming
- 20. Boom en vrucht
- 21. Normpatroon
- 22. Normscala
- 23. Sterk en zwak
- 24. Twee opvoeders
- 25. Druk en kwetsbaarheid
- 26. Druk scheidt vaneen !
- 27. Verwerping
- 28. Acceptatie
- 29. Hoogmoed - Angst - Depressie
- 30. Normpatroon geweven
- 31. Gedrag en gedachten
- 32. Functie van schuld- en schaamtegevoelens
- 33. Het generatieconflict
- 34. Het vaderbeeld
- 35. Normspanning - Bloedband
- 36. Doen of Doel
- 37. ´Ieder in z´n eigen taal´
- 38. Woord in wording
- 39. Wat is liefde
- 40. Vorming van zelfbeeld
- 41. Herschepping - Herplaatsing - Herwaardering
- 42. Zelfbeeld en relaties
- 43. Beeldoverdracht tot slot
- Slot


